We Will Remember Them

Annabel Verbeke

Info

a film by Annabel Verbeke, in coproduction with VRT-Canvas, with support from the Flanders Audiovisual Fund and the Tax Shelter from the Belgian Federal Government

There was hardly a house still standing in Belgium’s Westhoek once WWI had reached its end and Ypres and its surroundings were completely wiped off the map.
The idea was pitched to leave the city as it was and not rebuild it so that it would serve as a poignant reminder of the terrible war, but in the end Ypres was given war reparations to rise from its dust and rubble as a symbol of rebirth amidst the piles of discarded ammunition and the graveyards replete with fallen soldiers. It is definitely a place of reflection: how many sacrificed their lives for their country? How horrible was the war? And how valuable and delicate is peace?
The Last Post has resounded every evening ever since 1928. In and amongst the devastation at first, but today surrounded by the wonderful city centre with all the facilities a tourist could wish for, including souvenir shops, hotels, terraces for a drink or a snack, while the wider surroundings can be explored on organised bus trips, by bike or even by helicopter for those whose tastes are a little more exclusive.
The last WWI veteran might have died, but the traces the war left on the landscape are eagerly maintained.
So is today’s Ypres the unequivocal peace-keeper in the west or do other motives play a role in this?
The film wanders around the thin line between serene commemoration and the remembrance industrialisation. We Will Remember Them is a poetic interpretation of the everyday dynamics generated by Great War remembrance in and around Ypres.

Credits

WRITTEN & DIRECTED BY annabel verbeke
DIRECTOR OF PHOTOGRPAHY thomas szacka-marier, tiele mulier, lieven decampmaker, annabel verbeke, teun Brock
SOUND recording bram deryckere, mehdi charni, koen de leeuw, thomas dockx, ruben pauwels, lucas colle
edited by anna savchenko
assistant-director
pien van grinsven
production-assistant elien theuwissen
sound edit pieter deweirdt
sound mix gedeon deryckere
online edit tarsila nakamura
color grading
maxim van de sompele

DELEGATE PRODUCERS ERIC GOOSSENS & FREDERIK NICOLAI
in CO-PRODUCtion with vrt-canvas
with the support from flanders audiovisual fund, casa kafka pictures movie tax shelter, the belgian federal government tax shelter

Press

Preview We will remember them in Trouw (11th November 2018)

 

100 jaar na de Eerste Wereldoorlog: ‘Het landschap is de laatste getuige’

Piet Chielens wijst op het spoor van een tractor in het veld voor hem. “Zie je die duiker daarachter? Die betonnen buis die daar onder de doorgaande weg verdwijnt?” In de gouden najaarsgloed die de zon over het veld bij het Begijnenbos (‘Railway Wood’) werpt, lijkt het alsof de directeur van het In Flanders Fields Museum in een romantisch herfstdecor staat. Maar Chielens ziet iets anders. Hij weet dat er zich onder zijn voeten een onzichtbare dodenakker uitstrekt.

“Waar de weg nu loopt, liep destijds een spoorlijn. Die markeerde de voorpost van de Britse loopgraaf. Op een dag in januari 1917 zakte een aantal Duitse soldaten ongemerkt af langs de andere kant van de spoorwegberm en verschool zich in die duiker.” De Duitsers voeren een verrassingsaanval uit, waarbij minstens zes Britten omkomen.

Chielens haalt een kleine Penguin-uitgave uit zijn rugzak, waarvan de linnen kaft is verkleurd en de rug rafelt. De Britse inlichtingenofficier (en latere dichter/schrijver) Edmund Blunden beschreef de loopgravenstrijd bij Railway Wood, een paar kilometer ten oosten van Ieper. “Blunden had die dag het niemandsland tussen de twee linies doorzocht. Als hij ’s nachts een beschieting hoort, denkt hij dat er iets loos is bij de buren, maar het is zijn eigen bataljon dat wordt aangevallen.”

Onveranderd plekje
Hij slaat het boekje open en draagt voor: ‘That culvert, hitherto unnoticed, although only twenty yards ahead of our trench, now appeared painfully prominent.’ (‘Die duiker, tot nu toe onopgemerkt, hoewel slechts twintig meter voor onze loopgraaf, leek nu pijnlijk prominent.’) Het klopt precies, wijst Chielens. “Twenty yards, een kleine twintig meter. Je kunt die literatuur terugvoeren op dat kleine plekje in het landschap dat onveranderd bleef.”


Tijdens de Eerste Wereldoorlog sneuvelden meer dan een half miljoen militairen in de West-Vlaamse loopgraven, die van kustplaats Nieuwpoort via Diksmuide en Ieper naar Noord-Frankrijk liepen. Volgens Chielens is dat landschap van de Westhoek – de streek rond Ieper, Poperinge en Diksmuide in het uiterste westen van België – van grote waarde. “Je ziet hier hoe het landschap nog vastzit aan de oorlog en daar kun je verhalen aan haken. Die kleine individuele verhalen van hoe er van bovenaf werd ingegrepen in de levens van mensen, dat is ook het grote verhaal van de oorlog. Het landschap maakt dat tastbaar.”

Na de oorlog werden de loopgraven op veel plaatsen snel dichtgegooid en de oude percelen opnieuw bebouwd. Maar wie weet waar hij naar moet kijken, ziet overal in het landschap de voetafdruk die de Grote Oorlog in de Westhoek naliet. Lopend langs de ‘Ieperboog’, het voormalige strijdgebied dat een paar kilometer naar het oosten als een halve cirkel om Ieper heen ligt, wijst Chielens op schijnbare betekenisloze details.

“West-Vlaamse boeren zijn zuinige mensen. Zij hergebruikten het materiaal dat ze vonden. Toen ik een klein jongetje was, kon je het verschil nog zien tussen Brits en Duits prikkeldraad waarmee boeren hun weides hadden afgespannen.” Het prikkeldraad is intussen vervangen, maar Chielens wijst op een paaltje waaraan de omheining vastzit: “Een oude biels van de voormalige spoorlijn. Die bruine ring is de hals van een rumkruik. In elk privémuseumpje over de oorlog zie je van die kruiken. De boeren gebruiken ze nog altijd om stukken prikkeldraad te verbinden.”

Chielens wijst hoe de loopgraven hier destijds liepen. Op sommige plekken lagen de strijdende partijen amper dertig meter van elkaar. Wat op luchtfoto’s een grillig patroon lijkt, wordt op de grond een vanzelfsprekendheid: hoogteverschillen, een bosje of een spoorlijn bepaalden de loop van het front.

Omdat niet iedere bezoeker de frontlijn zal herkennen, werden op initiatief van het In Flanders Fields Museum en de stad Ieper 138 olmen geplant langs het front, zoals dat tussen 1915 en 1917 langs Ieper liep. De bomen met een blauw lint staan op de geallieerde loopgraaf, die met een rood lint markeren de Duitse linie (zie kader).

Mijnkraters
Chielens loopt door het veld en wijst op een aantal drooggevallen vijvers in een klein bos op de Bellewaerdeheuvel: “Mijnkraters. Men groef een tunnel vanuit de eigen eerste linie naar de lijn van de tegenstander, bracht een springlading aan en liet de zaak ontploffen. Dat gebeurde hier meer dan dertig keer tussen september 1915 en juli 1917.” Hij houdt halt bij een monument naast het bosje, ter nagedachtenis aan twaalf Britse ondertunnelaars van het regiment van tweede luitenant C.G. Boothby. Aan het hek rond het witte kruis, meer dan manshoog, zijn gehaakte klaproosjes gebonden. “Deze mensen zijn nooit teruggevonden, eigenlijk staan we op hun graf.”

Dat geldt niet alleen voor deze plek. In de hele Westhoek liggen krap zestig centimeter onder het aardoppervlak nog restanten van de oorlog. “Dovo, de ontmijningsdienst van het Belgische leger, maakt hier nog iedere week een rondje langs boeren die munitie hebben gevonden op hun akkers. Dat is ongeveer 150 ton per jaar.”


Waarom het behoud van dat landschap zo belangrijk is? “Het landschap is de laatste getuige van de oorlog”, zegt Chielens (62). “Mijn generatie is de laatste die nog rechtstreeks emotioneel is verankerd in het verhaal van de twee wereldoorlogen, door al die mensen die wij nog hebben gekend die de oorlogen hadden meegemaakt, die ons hebben gevormd.”

Zelf groeide Chielens op in Reningelst, tien kilometer ten zuidwesten van Ieper. Als dokterszoon hoorde hij de verhalen van patiënten die niet ongeschonden uit de oorlog waren gekomen. “Als kind telde ik de graven op de drie begraafplaatsen in ons dorp en ik ontdekte dat er in die vier oorlogsjaren meer mensen waren begraven, dan er in het dorp woonden.”

Voor jongere generaties is de oorlog veel verder weg, zegt filmmaakster Annabel Verbeke (31), die opgroeide in Ieper. Voor haar generatie was de Eerste Wereldoorlog eerder verplichte kost. “Als tiener kwamen de oorlog en vredesprojecten me op school de oren uit, moesten we wéér namen zoeken op een militaire begraafplaats.”

Verbeke maakte een film over de herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Toen ze na de filmacademie in Brussel terugkeerde naar haar geboortestreek, begon de herinnering aan de oorlog haar zowel te fascineren als te bevreemden. De toeristenwinkels vol plastic klaproosjuwelen en magneten van de Menenpoort in Ieper, het monument met de namen van vermiste Britten. Cafés die adverteerden met full English breakfast, de supermarkt die zijn waar aanprees op affiches met klaprozen.


Ceremonieel
Haar film heet ‘We Will Remember Them’, naar de platgetreden spreuk die overal in de Westhoek op plastic kransen bij begraafplaatsen en herdenkingsmonumenten terugkomt. Verbeke ontdekte en filmde eindeloos veel activiteiten rond de oorlog. Ze verwonderde zich over het nog altijd grote aantal herbegravingen. “Dat gebeurt met ontzettend veel ceremonieel. Kosten noch moeite worden gespaard: het gras wordt gemaaid, de stenen ­gepoetst, de plechtigheid geoefend.”

Mooi en bijzonder, vond Verbeke. Maar tegelijk ook vervreemdend. “Er is een gekke ­discrepantie tussen de schoonheid en het eerbetoon op die piekfijne begraafplaatsen en de gruwel van de oorlog. Het verleden wordt op die manier ook gesacraliseerd, bijna verheerlijkt. De doden hebben er niks meer aan en de boodschap van nooit meer oorlog voelt wrang in een tijd waarin er nog zoveel oorlogen worden uitgevochten.”

Sommige scènes in haar film zijn ronduit bevreemdend. Zoals de inleefexcursie voor Britse scholieren, die met gasmaskers op dekking moeten zoeken voor een fictieve gifgasaanval. “Ik kan niet ademen met dit ding, ik stik”, giechelen de tienermeisjes tegen elkaar; de dubbele laag van hun eigen uitspraken lijkt langs hen heen te gaan.

Die afstand tussen de geschiedenis en het heden, de werkelijkheid en de herinnering, is ook moeilijk te overbruggen, meent Verbeke. “Het is moeilijk om die oorlog echt te herinneren. Het is ongelooflijk dat in mijn streek meer dan een half miljoen doden zijn gevallen. Maar het is zo lang geleden, de hedendaagse context is zo anders. Het herdenken is vaak niet het herinneren van de geschiedenis, het gaat vooral over degenen die herdenken.” Ze vraagt zich af of de ‘disneyficatie’ niet is doorgeslagen. “De gedachte om mensen te sensibiliseren en de boodschap ‘nooit meer oorlog’ is deels oprecht, maar de eerste industriële oorlog heeft ook een toeristenindustrie gecreëerd.”

Massatoerisme
De afgelopen vier jaar trok de Westhoek drie miljoen toeristen. “Dat is inderdaad massatoerisme en ja, daar zitten uitwassen bij”, zegt Chielens aan de rand van de Bellewaerdeheuvel. “Heel dat efemere poppy-gedoe is ook niet aan mij besteed. Vaak is het des mensen: niet altijd getuigend van evenveel smaak, maar onschadelijk.”

De initiatieven van het In Flanders Fields Museum bieden een serieuze omgang met de herinnering aan de oorlog, benadrukt hij. “Wij zijn het geheugen van een samenleving die zo snel vergeet waar het heden uit is voortgekomen, en hoe de naoorlogse generatie vorm heeft gegeven aan een verenigd Europa.”

Daarbij heeft het toerisme van de afgelopen decennia de streek er economisch bovenop geholpen, relativeert hij. “Als je het recreatieve kunt koppelen aan dat oorlogsverleden is dat een zinvolle oefening, volgens mij. Die oorlog heeft de blik van deze samenleving bepaald. Sommigen zeggen: het gaat altijd weer over de oorlog. Nee, die oorlog hoort erbij, die heeft ons en het landschap gevormd. Daarin wortelt het fundamentele wantrouwen van de mensen hier in de hogere overheden, die over hun hoofden beslissingen namen. Die oorlog doet ons beseffen waar we vandaan ­komen en vormt een waarschuwing dat we niet weer zulke verschrikkingen laten plaatsvinden. ”

Op het veld passeert Chielens een groep scholieren. “Als er in die klas maar drie leerlingen zijn die vatten dat deze oorlog ging over ­leven en dood van mensen die werden ingezet voor zaken waarvoor ze niet moeten worden ingezet, dan heeft het betekenis. Ik ben er wel optimistisch over dat we die verhalen kunnen doorgeven. Uiteindelijk is de vraag: hoe zorgen we ervoor dat deze doden, dat die zes mannen van Edmund Blunden, niet voor niks de dood in zijn gejaagd.”

 

 

Director

Annabel Verbeke, born in Ypres, Belgium in 1987, is a documentary filmmaker.

As a filmmaker, Annabel is looking for beauty in the most modest and common things surrounding us.  She always has been fascinated by subjects that are seemingly common but at the same not always very visible. She like to unhide and unravel these fascinating stories, bringing both its poetry and absurdity to the surface. This often neglected but obvious beauty is the core of Annabel essayistic and serene filmic approach. Banality is changed into poetry, darkness of life countered with refined humor.

In 2010, Annabel graduated Cum Laude at RITCS Film School in Brussels. Her graduation film "Les enfants de la mer/mère" - "Children of the sea" won 8 international awards and was selected by more than 20 international film festivals. The Flanders Audiovisual Fund honoured her with a wildcard, giving her the budget and opportunity to create a new documentary project. "Children of the sea" was broadcasted on the national Belgian broadcasting company VRT-Canvas.

Her wildcard project, entitled "We will remember them", was released in 2018. In this film Annabel travels back to the area where she grew up as a little kid: the Westhoek in Belgium, where 100 years ago the First World War was so heavily fought. Today Annabel makes a journey through this region, where war museums, cemeteries and monuments are playing a central role in both history and daily reality, trying to understand the contemporary meaning of commemoration.

In the past years, Annabel has been working as a freelancer for several broadcasters and production companies, directing commisionned documentary films, series and tv programmes.

Currently she is developing a new documentary series in collaboration with both national Belgian broadcasters VRT-Canvas and RTBF, and with the support from the Flanders Audiovisual Fund, called "Duo for a job". In this 6-part documentary series, young people with a migration background are supported in their search for suitable and intended work by native and somewhat older Belgian people, who are looking for a new challenge in their life. Annabel will be the leading director, managing and tutoring a group of young talented directors, freshly graduated from Docmads.eu. Docmads is a joint masters programme in documentary filmmaking delivered by a consortium of three prominent European universities across three countries: Portugal, Hungary and Belgium. All young directors will have a migration background themselves, which takes the project to a next level. She is looking forward to this unique exchange of cultures and stories between filmmakers and characters.

Trailer

Awards / Festivals

Closing film Visions Du Réel, Nyon, Switzerland